Op de tweede donderdag in juni staan we als korps altijd extra stil bij collega’s die zijn overleden als direct gevolg van de uitoefening van hun politiewerk. Dat gebeurt tijdens een plechtigheid in de Tuin van Bezinning in Warnsveld. Vandaag werd de naam bijgeschreven van een politiemedewerker die vorig jaar om het leven kwam tijdens een specialistische motorrijopleiding. De bijschrijving gebeurde in het bijzijn van nabestaanden, collega’s en andere belangstellenden. Zoals elk jaar vormden studenten van de Politieacademie een erehaag rondom het monument, waarop de namen van 171 omgekomen politiemensen staan.
‘Hier herdenken we alle politiemensen, die sinds 1946 zijn omgekomen’, zei Janny Knol. ‘Uit het oog, maar niet uit ons hart. De Tuin is ook de plek waar je geen woorden hoeft te vinden om je verdriet uit te leggen. Want wie rouwt, weet vaak geen antwoord te geven op de vraag: hoe voel je je?’ De korpschef vertelde dat zij onlangs op bezoek was bij haar Duitse collega. Vanuit zijn werkkamer kijkt hij uit op een herdenkingsbeeld. Hij zei: ‘Dat heb ik daar laten plaatsen zodat ik elke dag word herinnerd hoe kwetsbaar wij zijn.’ Knol: ‘Die verantwoordelijkheid voel ik ook als korpschef.’
Ze citeerde journalist en filmmaker Sinan Can die rouw ‘een storm in iemands borstkas’ noemde. Een stem die niet meer klinkt, maar nog wel nagalmt in je hoofd. ‘Verdriet hoef je niet alleen te dragen’, aldus Knol. ‘Je kunt het delen. Al is het maar voor even.’
Thuisfront
Ook minister David van Weel van Justitie en Veiligheid hield tijdens de ceremonie een toespraak. ‘Iedereen in dit land weet de politie te vinden als er in het dagelijks leven iets misgaat’, zei hij. ‘De politie komt altijd als het nodig is. Daar kan iedereen op vertrouwen. Maar wat veel mensen wel eens lijken te vergeten, is wat dit werk onze politiemensen en de mensen om hen heen, kost. Ze staan er niet bij stil dat jullie, de politiemensen die hier vandaag zijn en al jullie collega’s, allemaal een thuisfront hebben.’
‘Ik weet dat politiemensen persoonlijke offers brengen voor onze veiligheid. Hetzelfde geldt voor de mensen om jullie heen. Zij kennen de risico’s ook. En toch laten ze jullie steeds weer gaan. In de hoop en het vertrouwen dat jullie gewoon weer thuiskomen.’
Maar die hoop wordt niet altijd bewaarheid. ‘Daar staan we vandaag bij stil’, aldus de minister. ‘Ik zou willen dat iedereen in dit land zich dat zou realiseren. En dat we met het hele land proberen te voorkomen dat er namen bijkomen in deze Tuin van Bezinning.’
Simon Landman
Namens alle nabestaanden sprak Marjoke Huliselan-Landman. Zij was elf jaar, toen haar broer Simon, die agent was, op 29 april 1974 in Amsterdam werd neergeschoten. Hij overleed ter plekke aan zijn verwondingen. ’s Avonds werd het gezin daarover ingelicht. ‘Het beeld van mijn ouders, huilend op de bank, blijft me altijd bij.’ Zij en haar broer Hans hadden een gelukkige jeugd. Tot 29 april 1974. ‘Daarna was het een soort overleven voor ons allemaal. Hans zei: ‘De ziel was uit het gezin.’
Ze zei dat ze zich telkens boos maakt als ze leest dat er nog steeds een tekort aan politiemensen is. ‘Dat de politie bijna niet kan handhaven, want ze moet zich overal voor verantwoorden. En dit terwijl er al maar meer agressie komt tegen alle hulpverleners. Er met vuurwerk naar ze gegooid wordt, uitgescholden en bedreigd en wat al niet meer. En dat dit helaas ook slachtoffers maakt.’
De Tuin van Bezinning is van groot belang, aldus Huliselan-Landman. Mensen die de tuin bezoeken kunnen lezen en zien wat de omgekomen agenten is overkomen. ‘Misschien gaan ze iets meer stilstaan bij het feit dat het werk van agenten niet zonder gevaar is.’

12.1 ℃





































